4
Ik kreeg zere plekken op mijn enkels van mijn nieuwe schoenen en de koude avondlucht sneed door de dunne stof van mijn jurk, maar ik liep door. Mijn tas en jas waren nog in de club – ik herinnerde me vaag dat mijn tas van mijn schouder was gegleden en de inhoud over de vloer rolde terwijl ik naar de uitgang rende – maar dat maakte niet uit. Hoe konden dingen als mijn portemonnee, mobiele telefoon en mijn visitekaartjes, die ik in een zilveren cassette met mijn naam erop bewaarde die ik met kerst van mijn ouders had gekregen, er nog iets toe doen? Het enige dat ertoe deed, het allerbelangrijkste op de wereld, was mijn volledige concentratie op het lopen. Als mijn lichaam in beweging bleef, zouden mijn hersens dat misschien niet doen.
Ik was niet meer misselijk of bang of ondersteboven, maar ik wist dat die emoties op de loer lagen en ze als gekooide beesten hun kracht verzamelden totdat het slot openging en ze vrij waren. Ik moest blijven lopen, ik moest de beesten op afstand houden. Bovendien kon ik nergens naartoe. Ik kon het niet aan om terug te gaan naar de club en iedereen onder ogen te komen. Zonder mijn sleutels kon ik mijn huis niet in. Ik kon ook niet naar een hotel zonder mijn creditcard. Het enige wat ik kon doen was doelloos straten en boulevards in lopen, kriskras door de stad. Terwijl forenzen met hun overjassen en koffertjes veranderden in stelletjes die uit eten gingen, lawaaiige groepen mensen die de kroeg in doken en toeristen onderweg naar het theater.
‘Hé, schatje!’
Ik liep voor mijn gevoel al uren rond toen een blonde gozer slingerend op me af kwam. Hij hield zijn hand op als stopteken.
Ik staarde hem aan alsof hij Sanskriet sprak. Hij had een pak aan, maar de kraag was behoorlijk gerafeld en in zijn nette rechterschoen zat geen veter.
‘Zullen we wat gaan drinken?’ vroeg hij. Zijn gele tanden leken bij een veel oudere man te horen. Toen hij lachte, zag ik dat zijn snijtanden puntig waren, als kleine scherpe roofdiertandjes.
‘Of wil je wat anders?’ Hij grijnsde en zijn gezichtsuitdrukking veranderde in een ommezien van vriendelijk naar boos. Ik keek om me heen. Ik kende deze buurt niet. Een magere hond snuffelde aan een afvalbak en de voorgevels waren verborgen achter zwarte harmonicahekken die helemaal onder de graffiti zaten. Ik voelde geen angst of woede, ik voelde helemaal niets behalve de verdovende kou. Ik wist niet of ik ooit weer iets zou voelen.
Ik stapte om de dronkaard heen alsof hij lucht was. Hij schreeuwde me beledigingen na terwijl ik doorliep. Ik wilde voor altijd door blijven lopen. Ik wilde net als Forrest Gump zijn; een uiteinde van het land bereiken, omdraaien, en richting de andere kust gaan. Ik kwam voorbij een drankwinkel die vierentwintig uur per dag open was en een winkeltje met rode bloemen in bossen bij elkaar in emmers ervoor. Ik stapte over de krijtlijnen van een hinkelspel en over het gebroken bruine glas van bierflesjes heen. Ik bleef lopen en mijn hakken tikten een gestaag ritme op de stoepen van de stad waar ik zo van hield.
Enige tijd later – misschien een uur, misschien drie – kwam ik langs een straat die ik herkende. Ik stond op de hoek en staarde naar het straatnaambordje. Ik had op de een of andere manier een lus gemaakt en was nu vlak bij mijn kantoor. De temperatuur was vijftien graden gedaald en het ging harder waaien. Er was noodweer op komst. Mijn tanden klapperden en ik voelde mijn voeten niet meer.
Er wurmde zich een gedachte door mijn verdoofde hersens. Ik had een extra bos huissleutels en twintig dollar in mijn bureaula liggen voor noodgevallen.
Er zou nu niemand op kantoor zijn, ze waren allemaal nog aan het feesten. Ik kon het gebouw in glippen en naar huis gaan, een slaappil slikken en de bewusteloosheid in vluchten.
Ik ging rechtsaf, in de richting van het kantoor, en bleef lopen.
‘Zal ik een lamp voor je aandoen?’ vroeg de bewaker. Ik had op het glazen raam van zijn hokje geklopt en hij had zijn vork in zijn tupperwarebakje met spaghetti gezet en had me het gebouw in gelaten. Met zijn sleutelkaart maakte hij de deur van mijn kamer voor me open nadat ik iets had gemompeld over dat ik mijn tas in een taxi had laten liggen.
‘Dat doe ik zelf wel,’ zei ik. Mijn stem klonk helemaal schor, alsof ik uren had lopen schreeuwen. ‘Bedankt, John.’
‘Niet tot heel laat werken, hè.’ Hij knikte met zijn hoofd en liep naar de lift, een lied fluitend dat ik niet kende.
Ik ging op de leren stoel achter mijn bureau zitten en wilde mijn geld en sleutels uit de la pakken, maar voor ik die kon openen, merkte ik dat er iets niet klopte op mijn bureau. Mijn potloden, CLIO Award en niettang waren naar één kant geschoven, om ruimte te maken voor de fles champagne die iemand midden op het bureau had gezet. Er hing een zilverkleurig kaartje aan. Toen ik het las, ontsnapte me een vreugdeloos lachje.
‘Felicitaties aan onze nieuwe – en jongste – VP-creative director!’ stond erop. Het was van de raad van bestuur van ons bedrijf.
Ik pakte de zware fles op en draaide hem rond in mijn handen. Dom Perignon. Fijn om te weten dat ze ondanks de dolksteek in mijn rug niet op me beknibbeld hadden.
Ik had ineens vreselijke dorst. Ik had kilometers gelopen en zwarte uitlaatgassen van bussen en taxi’s ingeademd en mijn keel deed zo’n pijn dat ik amper kon slikken. Ik haalde het folie en ijzerdraadje van de hals van de fles en gebruikte mijn duimen om de kurk eraf te krijgen. Ik negeerde het schuim dat over mijn handen heen golfde en nam een gretige slok uit de fles.
Toen het schelle geluid van de telefoon op mijn bureau klonk, liet ik de zware fles bijna op mijn tenen vallen.
Wie belde me nou op het werk om – ik tuurde naar de klok aan de muur – halftien op een vrijdagavond? Het was vast Matt, of Mason misschien. Ze lieten maar een boodschap achter, ik wilde op dit moment met helemaal niemand praten.
Toen hij voor de derde keer overging, keek ik naar het nummer. Het was Bradley Church.
Bradley, die me altijd opvrolijkte. Bradley, die al vanaf groep vier niet-al-te-heimelijk verliefd op me was. Bradley, wiens rode vilten hart met de woorden ‘Voor mijn Valentijn’ erop al vanaf groep vijf in de geheime opbergplek in mijn oude bijouteriedoosje zat. Hij was de enige man op aarde die me altijd het gevoel gaf dat ik mooi was. Dat ik speciaal was. Zijn zware stem zou mijn ziel troost bieden.
‘Hé daar!’ riep Bradley. Zijn stem klonk blij, opgewonden. ‘Ik probeer je al de hele avond te bereiken maar je nam zowel je mobiele als je vaste telefoon niet op. Zit je nou nog steeds op je werk?’
‘Ja,’ zei ik, ‘late vergadering. Hoe is-ie?’
‘Super,’ antwoordde hij. ‘Echt super.’
Ik sloot mijn ogen en zag Bradley voor me. Zijn bruine haar zat door de war, hij was ietsje aan de magere kant en zijn handen en voeten leken te groot voor zijn lichaam, een beetje zoals bij een puppy. Zijn ogen stonden ernstig achter zijn grote metalen bril en hij had altijd een pen en notitieblok in zijn achterzak in plaats van een portemonnee, en minstens twee camera’s om zijn nek. Bradley was het soort jongen dat mensen op de middelbare school een nerd noemden, tenminste, de mensen die niet inzagen hoe aardig en goed en eerbaar hij was. Plotseling miste ik hem verschrikkelijk.
‘Je gelooft nooit wat mij vandaag is overkomen,’ zei Bradley.
Wedden dat ik win, dacht ik, terwijl ik bruusk nog een grote slok nam.
‘Ik heb drie uur in een lift vastgezeten,’ zei hij. ‘Je kent die parkeergarage toch wel in het centrum? Ik had een boek opgehaald bij Barnes & Noble en op de terugweg naar mijn auto, bleef de lift tussen de tweede en derde verdieping steken. De brandweer deed er een eeuwigheid over om ons eruit te krijgen.’
‘Wat irritant,’ zei ik en ik moest een gaap maskeren.
De telefoon opnemen was geen goed idee geweest. Ik kon vandaag niet over koetjes en kalfjes kletsen, zelfs niet met Bradley. De vermoeidheid begon met grote, zware golven over me heen te storten en ik wilde me er dolgraag aan overgeven. Ik verlangde er hevig naar om op mijn bed te ploffen en onder mijn zachte donzen dekbed te kruipen, mijn kussen over mijn hoofd te trekken en me in het donker op te rollen.
‘Nou, je had in elk geval iets te lezen,’ zei ik met de telefoon tussen mijn oor en schouder terwijl ik mijn bureaula opende met mijn vrije hand, de hand die niet de champagnefles in een doodsgreep hield. Mijn sleutels lagen precies waar ik ze had neergelegd, een briefje van twintig dollar eraan vastgemaakt met een paperclip. En dan zeggen ze dat neuroticisme een slechte eigenschap is.
‘Dus daar zat ik dan, vast in de lift,’ zei Bradley. Ik hoorde vlakbij een vrouw giechelen. Ik hoopte maar dat hij snel uitverteld was. Telefoneren was geen goed idee nu.
‘En raad eens wie er nog meer in die lift zat?’ vroeg hij.
Ik had absoluut geen zin in spelletjes.
‘Weet ik veel,’ zei ik bars. Ik wilde niet onbeleefd doen, maar Bradley was te vrolijk en te kwebbelig en ik moest echt nodig naar huis.
‘Ik zal je een hint geven,’ zei hij. ‘Ze heeft rood haar.’
‘En het is haar eigen kleur!’ riep een bekende stem. ‘Je hebt het bewijs gezien, Bradley Church!’
Nu liet ik de champagnefles wél vallen. ‘Shit!’
‘Lindsey? Gaat het wel goed daar?’ vroeg Bradley.
Ik pakte snel de fles op voordat alles eruit was gelopen.
‘Alex?’ vroeg ik aarzelend.
‘En niemand minder,’ giechelde ze. Ze moest wel heel dicht tegen Bradley aan zitten. Hun gezichten moesten vlak bij elkaar zijn met de mobiele telefoon ertussen zodat ze samen konden luisteren. Hun wangen bevonden zich waarschijnlijk op dat elektrisch geladen punt vlak voordat huid huid raakt.
‘Wat toevallig,’ zei ik. De verdoving stroomde uit mijn lijf, vrees verdreef haar en nam haar plaats in.
‘We rammelden van de honger na ons avontuur,’ zei Bradley.
‘Ons heroïsche avontuur,’ voegde Alex eraan toe.
‘Heroïsch,’ was Bradley het met haar eens.
‘Nou ja, jíj was heroïsch,’ zei Alex. ‘Ik kreeg zijn flesje water.’
‘Maar jij stond erop dat ik ook de helft opdronk,’ zei Bradley. ‘Dus jij was nobel.’
Wat was dit in godsnaam? Waarom maakten ze elkaars zinnen af alsof ze een getrouwd stel waren?
‘Hoe dan ook,’ zei Bradley, ‘we zitten bij die Thai, weet je wel? Waar jij en ik gegeten hebben, de vorige keer dat je hier was.’
We hadden kipsaté met pindasaus en knapperige loempia’s gedeeld en urenlang gepraat. Dat restaurant was wat aan de donkere kant, herinnerde ik me ineens. Met zachte achtergrondmuziek. En kaarsjes op de tafels.
‘Wat ontzettend grappig,’ zei ik. Ik nam nog een grote slok champagne. ‘En je eigen kleur, hoe kom je erbij, Alex?’
‘Ik heb hem het bewijs laten zien,’ zei ze.
Ik sloot mijn ogen. Alex zette de stem op die ze gebruikte als er een aantrekkelijke man in de buurt was. Iets wat heel veel op haat leek klauwde zich als een vuist in mijn maag vast.
‘Ze heeft me het haar op haar onderarm laten zien,’ zei Bradley vlug. ‘Geloof me, we hebben in die drie uur heel wat afgekletst.’
‘Super!’ zei ik overdreven hartelijk.
‘Waarom heb je me niet verteld hoe knap Bradley is geworden?’ vroeg Alex lachend.
Ik zag haar nu voor me met haar hand op Bradleys dunne schouder, ik zag haar een kruimel van zijn borst vegen, voorover leunen om een hapje van zijn vork te eten. Alex zou nog eerder stoppen met ademhalen dan met flirten.
Mijn ingewanden werden dichtgeknepen alsof een reusachtige hand ze vastgreep en genadeloos uitperste.
‘Waar is Gary?’ vroeg ik terloops. Gary was Alex’ verloofde.
‘Wer-re-ken,’ zei Alex, die duidelijk liet horen dat ze dat maar een saaie eigenschap van haar verloofde vond. ‘Zoals gewoonlijk. Net als jij. Wat doe je nu nog op kantoor?’
‘Volgens mij komen onze loempia’s eraan,’ zei Bradley.
‘Nog een glaasje wijn graag,’ hoorde ik Alex tegen de serveerster zeggen. ‘Bradley?’
‘Lekker,’ zei hij. ‘Dat hebben we wel verdiend.’
Alex lachte. Een intiem, veelbetekenend lachje dat als het luide gegrinnik van een schurk in mijn hoofd weergalmde. ‘Weet je het zeker? Je zei dat je van één glas al aangeschoten raakt. Straks moet ik je naar huis brengen.’
Ik sprong op van mijn stoel en voelde een schreeuw in mijn keel opkomen. Dat was een grapje tussen Bradley en mij; het feit dat we allebei niet meer dan één drankje konden hebben zonder draaierig te worden. Het was óns restaurant. Zaten ze ook aan onze tafel? Ging Bradley haar nu verdomme ook iets voor Valentijnsdag sturen?
‘Bel me, zusje,’ zei Alex, en de verbinding werd verbroken.
Ik sloeg de champagne nu zo snel achterover dat het in mijn keel brandde. Mijn gedachten sloegen op hol. Verdomme. Alex had een verloofde, een rijke, bloedmooie vent. Waarom moest ze nou weer zo nodig bewijzen hoe onweerstaanbaar ze was? Waarom moest ze altijd een meute hijgende mannen achter zich aan hebben? Het maakte niet uit dat ze niet van Bradleys gevoelens voor mij af wist. Ik had het haar nooit verteld, maar ze wist dat Bradley en ik vrienden waren. Ze wist hoe close we waren. Kon ze die ene man die vond dat ík de speciale zus was niet eens met rust laten?
Met tranen in mijn ogen ijsbeerde ik door mijn kantoor.
Ik had me uit de naad gewerkt voor een promotie die Cheryl had gekregen omdat ze sexyer was.
De man die twintig jaar verliefd op me was geweest bracht een paar uurtjes met Alex door en vergat mij compleet.
De moraal was duidelijk: mooie meiden winnen altijd. Hoe slim ik ook was, hoe hard ik ook werkte, het maakte niets uit. Ik zou nooit goed genoeg zijn. En wat voor vruchten heeft al dat harde werk afgeworpen? Een tweekamerappartement waarvoor ik mijn spaarrekening zou moeten leeghalen om het te kunnen kopen, de spaarrekening waar ik zeven jaar lang al mijn geld op had gezet. Een gouden prijs op mijn bureau. Beginnend carpaletunnelsyndroom, een lichaam dat uit elkaar aan het vallen was en een hoofdpijn die nooit weg leek te gaan. Ik was negenentwintig jaar oud en het enige wat ik op deze wereld bezat was een baan die me had verraden nadat ik hem alles had gegeven wat ik had.
Ik wilde uit mijn eigen vel springen. Ik wilde gillend door de straten van New York rennen. Ik wilde me klein maken onder mijn bureau en huilen.
Ik wilde iedereen behalve mezelf zijn.
Zonder me volledig bewust te zijn van wat ik deed, trok ik met een ruk de deur open en liep met grote passen door de schemerige gangen naar de vergaderruimte. Cheryls storyboard stond nog op de ezel. Ik trok de doek ervanaf en staarde naar haar campagne.
Ik deed een stap naar achteren. Ongelooflijk. Vele uren had ik geprobeerd me haar campagne voor te stellen, maar dit had ik nooit verwacht.
Ze had voor een uit-het-leven-gegrepencommercial gekozen. Het was zo ongeraffineerd als een basisschoolwerkstuk. Twee mooie twintigers stonden naast elkaar voor een spiegel te praten over lippenstift. De ene vrouw kon niet geloven dat met Gloss haar dunne lippen er mooi en vol uit zouden zien, maar ze werd door haar vriendin overgehaald om het uit te proberen.
Had Cheryl híér vijftig miljoen dollar aan nieuwe opdrachten mee binnengesleept? De fantasieloze, afgezaagde, scepticus-wordt-geloveradvertentie?
Maar natuurlijk had Cheryl daar niet het account mee gewonnen, dacht ik bij mezelf terwijl ik mijn ogen tot spleetjes kneep. Dat had ze met haar gezicht en lichaam en zwoele stem gedaan. Cheryl had ongetwijfeld ook research gedaan, maar een ander soort research dan ik. In plaats van uit te zoeken wat Fenstermaker het liefste dronk of welk soort bagel hij het lekkerst vond, had ze zijn ego geanalyseerd op zoek naar een zwakke plek en daarop ingespeeld. Welke man van middelbare leeftijd zou zich niet gevleid voelen door zacht krabbende lange nagels op zijn knie, door de blik die hem zei dat hij onweerstaanbaar was, door de opzettelijke inkijk in een decolleté, vooral als hij in zijn huwelijk droogstond en zijn vrouw het met de dertigjarige piloot deed? Cheryl zou haar flirt ongetwijfeld met actie opvolgen. Ze had de middag waarschijnlijk al met Fenstermaker doorgebracht in een hotelkamer. Ze had waarschijnlijk al geweten dat hij zou bellen, zodat ze Mason onder druk kon zetten.
Ineens viel er iets op zijn plek: Cheryl had vorige week een plotseling, geheim reisje gemaakt. Zelfs haar assistent wist niet waar ze was. Was ze naar Aspen gevlogen en had ze daar een ontmoeting met Fenstermaker bekokstoofd? Was hun relatie toen al begonnen?
O mijn god, dacht ik terwijl ik naar haar storyboard staarde. Ze had al die tijd de winnende strategie gehad. Was ze toch slimmer dan ik.
Ik hief mijn champagnefles als ongemeend saluut. Knap staaltje werk, Cheryl. Je hebt eigenhandig de vrouwenemancipatie vijftig jaar terug in de tijd gezet. Ik sloot mijn ogen en tilde de fles naar mijn lippen. Ik viel bijna achterover en moest de achterkant van een stoel vastgrijpen om mijn evenwicht te behouden. De champagne begon eindelijk te werken en haalde genadig de scherpe randjes van mijn woede en pijn.
‘Denk maar niet dat ik je baas ga noemen,’ mompelde ik terwijl ik met mijn champagnefles naar Cheryls advertentie zwaaide. Het was waarschijnlijk niet de meest indrukwekkende bedreiging ooit, maar ik roeide met de riemen die ik had.
Ik draaide me net om om te gaan, om eindelijk het aangename toevluchtsoord van mijn bed op te zoeken, toen ik voetstappen in de gang hoorde. Het kan maar beter geen inbreker zijn, dacht ik bars. Ik hoopte eigenlijk half dat het wel zo was. Het zou heerlijk zijn om de champagnefles op zijn hoofd stuk te kunnen slaan en zo wat van de woede en pijn kwijt te raken die ik van binnen voelde. Ik keek naar de fles. Het zou wel zonde van de champagne zijn. Misschien kon ik hem nog net leegdrinken voordat ik de inbreker er bewusteloos mee sloeg. Ik tilde de fles omhoog en dronk zo stil als ik kon, wat ongeveer evenveel decibellen bleek te produceren als een fanfare omdat ik mijn grip op de stoel verloor en naar Cheryls storyboard greep. Dat kletterde met een hoop kabaal boven op me toen ik viel en als klap op de vuurpijl met mijn hoofd op de vloer klapte. Ik had niet echt mijn dag.
‘Lindsey? Ben jij dat?’
Ineens stond Doug bij me, hij trok dat stomme storyboard van mijn hoofd en hielp me overeind.
‘Gaat het?’ vroeg hij.
‘Prima,’ zei ik, terwijl ik met één oog gesloten naar hem tuurde. En het zou ook prima gaan, als hij niet zo heen en weer zou slingeren.
‘Gelukkig,’ zei Doug zacht. Hij bleef mijn handen vasthouden en wreef met zijn duimen over mijn handpalmen. Vergeleken bij Doug was Bill Clinton een non met een kuisheidsgordel op een victoriaans theekransje. ‘Ik had je hier niet verwacht.’
‘Ik ging net weg,’ zei ik, maar ik verroerde me niet. ‘Wat doe jij hier?’
‘Heb mijn telefoon in mijn kamer laten liggen,’ antwoordde hij. ‘Ik wilde hem niet het hele weekend hier laten liggen.’
Ik knikte.
‘Zware avond, hè?’ vroeg Doug. Zijn chocoladebruine ogen leken zo lief en oprecht en hij had een lage stem.
‘Best wel,’ zei ik terneergeslagen. Wat had het voor zin om de schijn op te houden?
‘Iedereen vond dat jij de nieuwe VP had moeten worden,’ zei hij. Hij had mijn handen nog altijd vast.
‘Dank je,’ zei ik en ik moest slikken. De komende maand zou ik ditzelfde gesprek voeren met iedereen met wie ik werkte. Sommige mensen zouden het echt menen, anderen zagen me met plezier falen. Ik wist niet wat ik het ergste vond.
Ik kon het medelijden in Dougs ogen niet verdragen, dus draaide ik mijn hoofd en staarde naar buiten door de glazen wanden van de vergaderruimte. De straten onder ons waren net zo druk als om halfnegen vanmorgen. De op emmers drummende jongens waren vervangen door een oude man in kleding die zo vaal en versleten was dat hij wel een geest leek die opging in het grijs van het gebouw achter hem, maar zijn saxofoon schitterde als goud. Een nieuwe ploeg taxi’s had het gevecht om ruimte op de weg overgenomen en de stoepen waren verstopt met mensen die op weg naar restaurants, kroegen en jazzclubs de jongen in een enorm hotdogpak negeerden die probeerde flyers uit te delen. Op de hoek stonden een man en vrouw arm in arm bij het stoplicht te wachten. Terwijl ik toekeek, tilde hij met een hand haar kin op om haar een zoen te geven. Maar hij kuste haar niet op de lippen, hij regende langzame kusjes op haar voorhoofd en wangen en op het puntje van haar neus. Het was zo’n lief en intiem gebaar dat het me een hevig verlangen bezorgde.
Niemand had ooit zo van me gehouden.
Op dit moment zaten Bradley en Alex dicht bij elkaar te kletsen en te lachen. Het kaarslicht zou op haar hoge jukbeenderen flikkeren en de gouden schittering in haar haren opvangen. Zoals altijd zou ze door mensen in het restaurant herkend worden en Alex zou vriendelijk glimlachen, poseren voor een foto en een grapje maken waar iedereen om zou moeten lachen, omdat Alex net zo goed aardig en grappig kon zijn als egocentrisch. Bradley zou door haar verblind raken, daar was ik van overtuigd.
Zou mijn vriendschap met hem ooit nog hetzelfde zijn, vroeg ik me af. Natuurlijk zouden we nog steeds maatjes zijn, net als in de vierde klas, toen we urenlang een schaal popcorn en de antwoorden op wiskundesommen heen en weer schoven. In die tijd hadden Bradley en Alex zich in verschillende sociale kringen bewogen; zij was voor hem net zo echt als een poster aan de muur. En als ik heel erg eerlijk ben, was dat ook precies mijn bedoeling. Ik had in de hand gewerkt dat ze vreemden voor elkaar bleven.
Hoe vaak had ik Bradley wel niet voorgesteld om bij hem thuis huiswerk te maken in plaats van bij mij? Ik had hem angstvallig alleen maar thuis uitgenodigd als Alex naar cheerleadertraining of een afspraakje was. Zelfs op de avond van het eindfeest had ik ervoor gezorgd dat hij me ophaalde toen Alex al weg was. Ik wilde niet dat hij me naast haar zag in haar lange gouden jurk die zich om elke ronding van haar lichaam vlijde.
Nu wist Alex hoe grappig en slim en goed Bradley was. Nu hadden ze elkaar gevonden. Ze praatten deze avond waarschijnlijk meer dan Bradley en ik in de afgelopen twee jaar. De volgende keer dat ik naar huis ga en hem zie, zal hij dan naar Alex vragen? Zal hij, zogenaamd terloops, vragen of we haar ook moeten uitnodigen? Zal hij naar mij kijken… en willen dat hij eigenlijk bij haar was?
Of zullen zij en Bradley na vanavond in contact blijven? Zal ze ontdekken dat Bradley graag honing op zijn popcorn heeft in plaats van boter, wat smerig klonk maar ongelooflijk lekker smaakte? Zal hij – en deze gedachte was als een pijl door mijn hart – zal hij op dezelfde manier naar haar kijken als hij vroeger naar mij deed?
‘Gaat het?’ Ik was Doug bijna vergeten. Ik knikte.
‘Wat is dit dan?’ Hij liet een van mijn handen los en met het topje van een vinger veegde hij een traan weg die over mijn wang rolde.
‘Niks,’ zei ik. ‘Het is gewoon een erg lange avond.’
Doug had mijn andere hand nog steeds vast. Ik voelde het ineens. Nu was het goede moment geweest om te zeggen dat ik weg moest en kordaat de deur uit te lopen.
‘Prachtig uitzicht,’ zei Doug. Ik draaide me naar hem toe en zag dat hij naar mij keek. O god, kreunde ik van binnen.
Maar ik keek terug. Ik bleef kijken.
‘Je haar komt los,’ zei Doug. ‘Volgens mij heb ik het nooit los gezien.’
Hij haalde de klem los waardoor mijn haar om mijn schouders viel, waarna hij het met zijn grote handen langzaam uit mijn gezicht veegde. Ik sloot mijn ogen zodat ik niet naar hem hoefde te kijken. Dit was verschrikkelijk; dit was slijmerige, sletterige Doug. Nou ja, slijmerige, sletterige, superknappe Doug. Toch moest ik dit onmiddellijk stoppen.
Of in elk geval binnen de komende twee tot vijf minuten. Want zijn vingers waren ruw maar zijn aanraking zo intens zacht, en die combinatie was bedwelmend.
‘Je ziet er mooi uit zo,’ zei hij terwijl hij zijn hand op mijn wang liet liggen.
Ik deed mijn ogen weer open. Het was donker in de kamer, maar maanlicht scheen door de glazen wanden naar binnen.
‘Ja?’ fluisterde ik.
Je kent het gevoel wel dat op het moment voordat er iets gewichtigs gebeurt – zoals wanneer een ernstig kijkende arts tegen je zegt dat je moet gaan zitten of als je afwacht of er een roze lijn verschijnt op een zwangerschapstest of als een auto op je af komt schuiven op een spekgladde weg – de tijd sputterend tot stilstand lijkt te komen. Dat gebeurde er toen mijn vingers Dougs pols omsloten. Alles om ons heen leek te verdwijnen, waardoor alleen Doug en ik achterbleven in een spotlight van kleur in een wereld die plotseling zwart-wit was geworden. Hij was zo dichtbij dat ik het zachte geluid kon horen dat hij maakte bij het slikken. Ik zag de haartjes op zijn kin die hij met scheren had overgeslagen. Een aantal hartslagen lang stonden we dicht bij elkaar.
‘Je bent zo mooi,’ zuchtte hij terwijl hij naar me staarde met die ogen van gesmolten chocola.
Op dat moment pakte ik hem stevig vast en kuste hem.
Hij smaakte verrukkelijk, naar kaneel en rode wijn en zijn brede rug voelde sterk aan onder mijn tastende handen. Alle ingehouden emoties van die dag spoelden weg toen golven van pure lust over me heen sloegen. Het enige waar ik nu nog aan kon denken was hoe ik het snelst Dougs overhemd van zijn lijf kon trekken en met mijn handen over zijn borstkas kon gaan.
‘Lindsey,’ zuchtte hij. ‘Ik had nooit gedacht dat…’
‘Niks zeggen,’ smeekte ik. Als hij met een van zijn gerecyclede zinnen op de proppen kwam, zou het moment verpest zijn, en ik wilde me er zo ontzettend graag in verliezen, me laten overspoelen door dit heerlijke gevoel en zo mijn pijn verdringen.
Dougs lippen waren zacht en warm en toen de stoppels van zijn kaak over de gevoelige huid van mijn nek schuurden, gingen de rillingen door mijn buik. Hij zoende me totdat ik bijna uitzinnig werd terwijl zijn vingertoppen onder de halslijn van mijn jurk gleden en zachte, verleidelijke cirkels over mijn schouders maakten. Ik leunde tegen de vergadertafel, mijn hoofd achterover en mijn ogen dicht, en zijn vingers gingen lager en lager.
‘Zo mooi,’ fluisterde hij weer terwijl hij de rits van mijn jurk openmaakte. Ik deed mijn armen achter mijn rug om mijn beha los te maken en smeet die ongeduldig weg, trok Doug daarna zo dicht tegen me aan dat ik zijn huid op de mijne voelde. Gevoelens bestormden me: de warmte van zijn huid, het bijna ondraaglijk opwindende gevoel van zijn lippen om mijn oorlel, de prikkelende aanraking van zijn vingers toen hij mijn jurk naar mijn heupen liet glijden. Ik wilde dit. Ik wilde dit zo ontzettend dat het me zwak maakte.
Dougs vingers stopten plotseling.
‘Wat is dat?’ fluisterde hij.
O god, had hij mijn omaonderbroek ontdekt?
‘Hoorde je dat?’ fluisterde hij.
Ik schudde mijn hoofd met mijn armen nog om zijn nek. Ik voelde me wankel en gedesoriënteerd. Waarom stopte hij nou? Ik wilde niet dat hij stopte, nooit meer.
‘Shit,’ mompelde Doug en hij liet me zo abrupt los dat ik bijna weer omviel. Hij bukte zich en pakte zijn overhemd van de grond, precies op het moment dat voetstappen de vergaderruimte naderden.
‘Mijn storyboard moet hier nog staan,’ hoorde ik iemand – Cheryl – zeggen.
‘Ik kan niet wachten om hem te zien,’ antwoordde een man. ‘Het storyboard van vijftig miljoen. Die moeten we inlijsten.’
Het licht flitste aan en ik knipperde met mijn ogen omdat het zo fel was.
Cheryl stond in de deuropening en staarde me aan. En naast haar stond meneer Dunne. Een seconde te laat kruiste ik mijn armen voor mijn borst. De lust vloeide zo snel mijn lijf uit alsof iemand de stop eruit had getrokken.
Cheryl vond als eerste haar stem terug.
‘Lindsey?’
Ik staarde haar dommig aan.
‘Nou, dit is een kant van jou die ik nog niet eerder gezien heb,’ zei ze spottend terwijl ze doordringend naar mijn borsten keek.
‘Het is… het is niet wat het lijkt,’ stamelde Doug. Hij was nooit erg ad rem, dat had ik zelfs een keer in een van zijn functioneringsverslagen geschreven.
Ik draaide me om en trok met trillende vingers mijn jurk op.
‘Ik kan het uitleggen,’ zei ik achterom.
‘Dat wil ik graag horen,’ zei meneer Dunne. ‘In mijn kantoor. Over twee minuten.’
Toen draaide hij zich om en liep weg.